Advertisement
Home
Welkom bij Fotograferen doe je zo!
In deze basiscursus leer je beknopt de belangrijkste dingen van de camera en het fotograferen.

Eerste regel:

Jij maakt de foto, niet de camera

Veel mensen leggen de oorzaak van hun mislukte foto’s nog bij de techniek, terwijl de oorzaak vaak bij hun zelf ligt. De compositie is datgene waar het uiteindelijk om draait.

De camera bestaan uit grofweg 4 elementen nl:

  • de sluiter
  • het diafragma
  • de lichtmeting
  • de lens

De vele programma’s en instellingen zijn variaties tussen deze elementen. Deze zijn ook handmatig in te stellen. Dit geldt ook voor de snelheid van het transport (beeldjes per seconde) en vaak de lens met de zoomfunctie.

De sluiter:
De sluiter bepaalt hoe lang er licht naar binnen komt. Met de sluiter kun je bewegingen stilzetten of bewegingen juist laten zien. Tevens is de sluiter en de sluitersnelheid bepalend voor eventuele onscherpte doordat je de camera beweegt. De sluitersnelheid is tevens van invloed op het flitsen. Reflexcamera’s hebben een snelste tijd die niet overschreden mag  worden. Doe je dit wel dan krijg je een zwarte balk over je foto. Het flitslicht is dan te snel voor de sluiter.

Het Diafragma:
Het diafragma bepaalt hoeveel licht er naar binnenvalt. Het diafragma is bepalend voor de scherptediepte. Dit is de mate van scherpheid. Je kunt alles scherp hebben van voor naar achter of een bepaald gedeelte scherp en de rest onscherp. Dit kun je gebruiken om bepaalde onderwerpen te isoleren en/of de nadruk op leggen.

De lichtmeting:
In elke goede camera zit een lichtmeting. Door deze lichtmeting bepaald de camera de instellingen van sluitersnelheid en diafragma. Door deze waarden aan te passen kun je de lichtmeter beinvloeden. Het doel is de lichtmeter te corrigeren als deze de mist ingaat. De lichtmeter vertaalt alles naar middengrijs. Wat inhoud dat hij zwart als middengrijs ziet maar ook wit. Hierdoor kan onder- of overbelichting ontstaan. Dit kan eenvoudig gecorrigeerd worden en met een goed schermpje kan dit zelfs zonder enige fotografische kennis. Je verdraait de sluitertijd of diafragma in de M-stand net zo lang tot je een goede belichting hebt. Dit is eventueel met een diagram te controleren. Bij twijfel kun je ook meerder opnamen onder verschillende belichtingsinstellingen maken.

De lens:
Met de lens bepaal je eigenlijk het beeld. Je kadert het in en je kunt de eigenschappen van tele- groothoek- en macro-instellingen gebruiken om je beeld te maken. Een telelens drukt het beeld samen en een groothoeklens trekt het juist uit elkaar. Hierdoor kun je onderwerpen isoleren en/of dichterbij halen of juist veel er op hebben en onderwerpen groter laten lijken dan ze zijn. Het is leuk om hier eens mee te experimenteren en de resultaten eens naast elkaar te leggen. In plaats van je zoomlens te gebruiken kun je natuurlijk ook naar het onderwerp toe lopen. Fotograferen = lopen.

Het diafragma en de sluitertijd zijn twee dingen die samenwerken. Bij een verandering van het diafragma moet de sluitertijd ook verandert worden om dezelfde waarde te krijgen. Bijvoorbeeld 6 + 3 = 9, dus 5 + 4 = 9. Zo werkt het met het diafragma en de sluitertijd ook. Als je een bepaalde goede lichtwaarde en -instelling hebt en je wilt het diafragma veranderen dan moet de sluitertijd ook verandert worden voor weer de goede lichtwaarde.

De camera’s hebben tegenwoordig vele (onnodige) instellingen, maar enkele zijn wel degelijk van belang nl.:

  • Tv (tijdvoorkeuze) hierbij stel je zelf de sluitertijd in en maakt de camera er een diafragma bij voor de juiste lichtwaarden (als je sluitertijd belangrijk vindt)
  • Av (diafragmavoorkeuze) hierbij stel je zelf het diafragma in en maakt de camera er een sluitertijd bij voor de juiste lichtwaarde (als je diafragma belangrijk vindt)
  • P (programma) hierbij stelt de camera zelf de diafragma en sluitertijd in om de juiste lichtwaarde te hebben (lekker makkelijk)
  • M (manual of handbediening) hierbij stel je zelf de sluitertijd en diafragma in. De instelling kun je natuurlijk altijd controleren op je scherm of via je lichtmeter.

De sport- portret- en dergelijke instellingen zijn allemaal variaties tussen sluitertijd en diafragma en als dusdanig natuurlijk ook zelf in te stellen.

Sportinstelling: snelle sluitertijd het belangrijkst, het diafragma wordt daar aan aangepast. In combinatie met een snelle transportsnelheid.

Portretinstelling: weinig scherptediepte belangrijk de sluitertijd wordt daar aan aangepast.  Een snelle transportsnelheid is hierbij niet belangrijk.

Vaak wordt er heel moeilijk gedaan over de scherptediepte. Dit is in hoeverre alles van voor naar achter scherp is. Dit kun je manipuleren door de diafragma-instelling. Bij een groot diafragma heb je weinig scherptediepte en bij een klein diafragma heb je veel scherptediepte.. Door de getallen wordt het vaak onnodig moeilijk gemaakt. Ga er gewoon van uit dat bij een groot getal bijv. 16 je veel scherptediepte hebt en bij een klein getal bijv. 3.5 heb je minder scherptediepte. Of dit een groot diafragma of een klein is laat je gewoon even buiten beschouwing.

Lees meer...